Vandaag zag ik een collega die Jan nauw heeft gevolgd, na z’n diagnose. Vandaar dit bericht.
Ik kan uit zoveel mooie momenten putten en toch is er een die me het dierbaarst is. Onze innige band werd toen nog inniger.
Jan keek op, ik zat naast hem, op mijn vast plekje, wat Jan deed, ik kon er moeilijk naast kijken. Hij keek op met herkenbare lichtjes in z’n ogen die vertelden dat hij aan iets dacht. Die herkenbare lichtjes in z’n ogen: iedereen die Jan kent, weet waarover ik het heb. Het was vrijdagnamiddag, alleen wij tweeën waren nog op onze werkplek. “Stefanie,” met een stem die vermoedde dat hij iets belangrijks had te melden: “als ik zo reageer, wilt dat niet meteen zeggen dat ik dit bedoel.” En hij ging door, een hele uiteenzetting van hoe je Jan moet lezen. Minutenlang ging het door, de analyse van de persoon Jan. Het was pràchtig. “Dus als je zo reageert, betekent dat dit?” “Precies!” Ik had het begrepen.
Waarom hij dit vertelde? Jan werd, door diegenen die hem niet zo goed kenden, soms verkeerd begrepen. Jan wou - en dit is het mooie van hem - niet dat ik hem verkeerd zou interpreteren. Die openheid, die schoonheid, die goede inborst. Dàt is Jan.
Een paar maanden later zaten alweer hij en ik op een vrijdagavond op onze plek. Ditmaal met ons medebureaugenootje door dik en dun. Ik noem haar voor het gemak Anaïs (omdat ik dit een mooie naam vind). Het koestermoment van maanden geleden wou ik opnieuw oproepen. “Jan, vertel Anaïs eens hoe je in elkaar zit.” Zonder blikken of blozen begon hij de hele Jan analyse opnieuw uit de doeken te doen. Minutenlang met mijn commentaar om de echtheid te onderstrepen. Nadien bleven we gewoon verder praten, alsof de dag er niet eens op zat. We maakten er zelfs grappen over: “We gaan hier overnachten. Stefanie, haal jij het ontbijt morgen?” Tussen droom en daad, ik wou toen dat het een werkelijkheid werd. Wij drieën. Die band is er.

